> For the complete documentation index, see [llms.txt](https://pcnautic.gitbook.io/autopilot/llms.txt). Markdown versions of documentation pages are available by appending `.md` to page URLs; this page is available as [Markdown](https://pcnautic.gitbook.io/autopilot/nederlands/bediening/webinterface-apps/wifi-network-config.md).

# Wifi / network config

<figure><img src="/files/cjyEVGWJM7QvWEFlsn5Y" alt=""><figcaption></figcaption></figure>

### 1. Mode

Bij *Mode* kiest u in welke modus de WiFi van de Autopilot functioneert.\
Standaard staat de Autopilot ingesteld als WiFi Access Point ***Master (AP)***.

Wanneer u ***Master (AP)*** selecteert, wordt de optie ***Managed (Client-modus)*** beschikbaar.\
In deze modus maakt de Autopilot verbinding met een bestaand WiFi-netwerk, zoals een router, BoatController, OpenPlotter of een vergelijkbaar systeem.

{% hint style="info" %}
Wij adviseren de Managed-modus alleen te gebruiken wanneer u zeker weet dat het externe netwerk betrouwbaar is. Als er geen verbinding meer mogelijk is met de Autopilot via WiFi, kunt u het WiFi Access Point herstellen via de *ControlHead*.
{% endhint %}

### 2. SSID

In **Master (AP)**-modus is dit de naam van het WiFi-netwerk dat de autopilot als access point uitzendt, standaard is de `pcnautic_AP`.

<figure><img src="/files/JRMkWoUQIqRMR4HqBEC4" alt=""><figcaption></figcaption></figure>

In **Managed (Client)**-modus voert u hier de SSID in van het bestaande WiFi-netwerk waarmee de autopilot moet verbinden.

### 3. Key

In **Master (AP)**-modus adviseren wij altijd een wachtwoord in te stellen om ongeautoriseerde toegang tot uw systeem te voorkomen. Het wachtwoord moet minimaal **8 tekens** bevatten.

In **Managed (Client)**-modus voert u hier het **wachtwoord** in van het bestaande WiFi-netwerk waarmee de autopilot verbinding moet maken.

### 4. Client Mode Address

* In **Master (AP)**-modus laat u dit veld **leeg**.
* In **Managed (Client)**-modus voert u hier het **statische IP-adres** in waarmee u de autopilot in het netwerk wilt bereiken.

Een IP-adres bestaat uit vier getallen, gescheiden door punten, bijvoorbeeld: `192.168.14.1`.

Let op:

* De eerste drie getallen van het IP-adres moeten overeenkomen met het netwerk waarmee de autopilot verbinding maakt.
* Het laatste getal moet een vrij adres zijn binnen dat netwerk (tussen 1 en 254), dat nog niet door een ander apparaat wordt gebruikt.

Als het netwerk **DHCP** ondersteunt, kunt u dit veld leeg laten en zal de autopilot automatisch een IP-adres verkrijgen.

### 5. IP addr:

Hier wordt het IP-adres van de *ControlHead* weergegeven.

### 6. Submit

Na wijzigingen dient u de instellen altijd te bevestigen door op *Submit* te klikken.&#x20;

## Ethernet

Wanneer u gebruikmaakt van een Realtek RTL8153 USB LAN-adapter, verschijnt op deze pagina het onderdeel Ethernet.

Hier kunt u de modus van de LAN-adapter instellen:

* **DHCP Client (standaard)**: de adapter ontvangt automatisch een IP-adres van een DHCP-server binnen het netwerk.
* **DHCP Server**: de adapter wijst zelf IP-adressen toe aan apparaten die via Ethernet verbonden zijn.

U ziet hier ook het huidige IP-adres dat aan de LAN-adapter is toegekend, afhankelijk van de ingestelde modus.

**Internetdeling via WiFi en Ethernet**

* Wanneer de autopilot via WiFi is verbonden met het internet, kan deze verbinding worden gedeeld met bekabelde netwerkapparaten door de modus op DHCP Server te zetten.
* Omgekeerd kan een bedrade internetverbinding via de LAN-adapter ook worden gedeeld met WiFi-clients, mits de WiFi-modus op *Master (AP)* staat.

## **Configure serial devices**

Hoewel het hier om USB-apparaten gaat, worden deze intern als seriële apparaten behandeld.

In dit gedeelte kunt u het type instellen van deze aangesloten seriële apparaten, zoals bijvoorbeeld onze ontvanger van de afstandsbediening.

Alleen seriële apparaten die niet automatisch worden herkend, worden hier weergegeven en kunnen handmatig worden geconfigureerd.

Voor elk apparaat kunt u kiezen uit de volgende modi:

* **None** - het apparaat wordt niet gebruikt.
* **Remote** – kies deze optie als het de Pcnautic Remote Receiver betreft.
* **NMEA OUT** – stuurt NMEA-data vanuit de Autopilot naar dit externe apparaat

## NMEA data clients

Om NMEA-gegevens uit te wisselen tussen verschillende apparaten of software, meldt het NMEA-apparaat zich normaalgesproken aan bij de NMEA-gegevensserver van de Autopilot.\
Dit is de standaard werkwijze, zoals beschreven bij [TCP NMEA-gegevensverbinding](/autopilot/nederlands/wifi-verbindingen.md#tcp-nmea-gegevensverbinding).

Sommige NMEA-apparaten ondersteunen dit echter niet. In dat geval zal de Autopilot zich moeten melden bij het apparaat om de NMEA-gegevens te kunnen ontvangen. De Autopilot werkt dan als **NMEA-gegevensclient**. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Quark-elec QK-A032 converter

Voer het IP-adres en de poort in van het betreffende NMEA-apparaat, en klik op ‘Submit’.\
De Autopilot zal dan proberen een NMEA-gegevensverbinding te maken.

<figure><img src="/files/H3FnjY7MAqucOYLXiuVp" alt=""><figcaption></figcaption></figure>

{% hint style="info" %}
Laat deze velden leeg als het andere apparaat wél zelf gegevens naar de Autopilot stuurt.
{% endhint %}

## Remote for Host Controlhead

Stel deze Controlhead in als remote door het IP-adres in te voeren van de host (Master) Controlhead. In de meeste gevallen dient u de remote Controlhead als [Managed (client) te verbinden](#id-4.-client-mode-address) met de host (Master) Controlhead en IP-adres `192.168.14.1` te gebruiken.

Zodra dit is ingeschakeld, maakt de Controlhead via het netwerk verbinding met de host en toont het realtime gegevens zoals koers, GPS en status. Zorg ervoor dat de host zich op hetzelfde netwerk bevindt.

<figure><img src="/files/b6rTnCHRL74B48qA2aJE" alt=""><figcaption></figcaption></figure>

## IP-leases

Onderaan de pagina vindt u een overzicht van de zogenoemde **IP-leases** van verbonden WiFi-clients.\
In dit overzicht worden, per apparaat, de volgende gegevens weergegeven:

* **IP-adres**
* **MAC-adres**
* **Hostnaam**
* **Eindtijd van de lease**

<figure><img src="/files/YntSo7BnBo51tDS4FTlY" alt=""><figcaption></figcaption></figure>

## Verbinding maken met zowel de Autopilot als het internet

Wanneer u uw telefoon via WiFi verbindt met de Autopilot (in **Master (AP)**-modus), verliest u op de meeste telefoons de internetverbinding via 4G of 5G. Dit is normaal gedrag: smartphones geven voorrang aan WiFi, ook als dat netwerk geen internet biedt.

Wilt u gelijktijdig verbinding met de Autopilot **én** met het internet, dan kunt u de Autopilot in **Managed (Client)**-modus zetten en verbinding laten maken met de persoonlijke **hotspot** van uw telefoon.

### **Zo stelt u dit in op de Autopilot:**

1. **Mode**: kies **Managed (Client)**.
2. **SSID**: vul hier de naam in van de WiFi-hotspot van uw telefoon.
3. **Key**: vul hier het wachtwoord in van uw hotspot.
4. **Client Mode Address**:
   * Laat dit veld leeg als uw telefoon DHCP ondersteunt (standaard het geval).
   * Of geef een vast IP-adres op binnen het bereik van het netwerk van de telefoon (bijv. 192.168.43.100 op Android of 172.20.10.5 op iPhone).

### **Smartphone instellen als hotspot:**

**Android**:

* Ga naar **Instellingen > Netwerk en internet > Hotspot en tethering**.
* Zet **Wi-Fi-hotspot** aan en noteer de netwerknaam en het wachtwoord.

**iPhone**:

* Ga naar **Instellingen > Persoonlijke hotspot**.
* Zet **‘Sta anderen toe om verbinding te maken’** aan.
* Noteer de netwerknaam en het wachtwoord.

{% hint style="info" %}
Let op: De exacte benamingen of menustructuur kunnen enigszins verschillen per merk en type telefoon (bijv. Samsung, OnePlus, Xiaomi of oudere Android/iOS-versies).
{% endhint %}

Zorg ervoor dat de Autopilot zich binnen bereik van de hotspot bevindt.

### Resultaat:

* De Autopilot maakt verbinding met uw telefoon.
* Uw telefoon blijft verbonden met het internet via 4G/5G.
* U kunt via het lokale IP-adres de webinterface van de Autopilot benaderen én tegelijk internet gebruiken op uw telefoon.
